|
***
Je moeder ***
Je leeft je eigen leven wat zij er ook van vindt. Je bent al lang geen kind meer al blijf je ook haar kind. Je wilt 'r over praten, maar niet op haar manier. Je zult haar best verdriet doen maar niet voor je plezier. Wat moet je nog met haar en met haar ouderlijk gezag. En dan opeens dan is 'ie er, die dag. De dag waarop je moeder sterft, dat jij wordt losgelaten. En al haar eigenschappen erft, die jij zo in haar haatte. De scherpe tong, de bokkepruik, de zure schooljuffrouw. Die zullen ze dan binnenkort herkennen gaan in jou. En hopelijk ook de andere kant, de aardige, de zachte. Maar of je die hebt, meegeeft valt nog maar af te wachten. De dag waarna de rest een kwestie wordt van tijd en pijn. De dag waarna je nooit meer kind zult zijn. Wat al die jaren fout ging komt dan niet meer terecht. En wat je nog wou zeggen blijft eeuwig ongezegd. De machteloze frasen van je genegenheid. En dat 't niet haar schuld was en ook dat 't je spijt. De dingen die je lang niet zeggen kon en zeggen wou. En dan zo graag nog 1 keer zeggen zou. De dag waarop je moeder sterft, de dag die al je dagen. Van dan af aan wat grijzer verft, al hou je niks te klagen. Je hebt je goeie vrienden nog, die staan je ook dichtbij. En als je soms een minnaar zoekt dan staan ze in de rij. Maar niemand zal meer weten hoe je met je pop kon spelen. En niemand zal nog ooit je vroegste vroeger met je delen. De dag waarna je nooit meer kwetsbaar wezen kan en klein. De dag waarna je nooit meer kind zult zijn. *** Karin Bloemen *** |
|
|